AANPAK MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

Dit hoofdstuk beschrijft het plan van aanpak voor het milieuonderzoek. Eerst gaat het in op de wettelijke eisen voor het milieueffectrapport. De volgende paragraaf geeft aan wat het plangebied is en het studiegebied. Vervolgens gaat het hoofdstuk in op welke wetten en welk beleid in het MER een rol spelen. Tot slot komen de reikwijdte en het detailniveau per milieuthema aan bod. Dit beschrijft de aanpak voor het MER.

De kern van de procedure voor de milieueffectrapportage is het in beeld brengen van milieueffecten, waarbij het verschil tussen de huidige en toekomstige milieusituatie inzichtelijk wordt gemaakt. Voor de toekomstige situatie moeten verschillende alternatieven worden beschouwd. De inhoud van een MER is afhankelijk van het abstractieniveau en de inhoud van het plan.

In een MER zijn de volgende zaken vereist volgens artikel 7.7 van de Wet milieubeheer:

  • een beschrijving van de doelstelling van het voornemen. De basis hiervoor is gegeven in paragraaf 2.1 van deze notitie;
  • beschrijving van het voornemen en reële alternatieven, alsmede een motivering van de gekozen alternatieven. De basis hiervoor is gelegd in hoofdstuk 3 van deze notitie;
  • een overzicht van eerder vastgestelde plannen en beleid. In paragraaf 4.4 wordt hier nader op ingegaan;
  • voor alle milieuaspecten wordt systematisch ingegaan op de bestaande en autonome milieusituatie. De basis hiervoor is gelegd in paragraaf 2.3 van deze notitie;
  • welke milieueffecten kunnen optreden als gevolg van het uitvoeren van het voornemen en de alternatieven. In paragraaf 4.4 en 4.5 wordt aangegeven voor welke thema’s en aspecten effecten worden verwacht;
  • een vergelijking tussen de autonome ontwikkeling van de milieusituatie en de milieueffecten van de verschillende alternatieven. In paragraaf 4.4 en 4.5 wordt aangegeven hoe deze effecten worden onderzocht;
  • het benoemen van leemten in kennis;
  • het opnemen van een publieksvriendelijke samenvatting.

MER fase 1 en fase 2 gaan hierop in.

Klap tekst in

Plangebied

Het plangebied is het ingreepgebied zoals dit uiteindelijk wordt opgenomen in het projectplan Waterwet en/of ruimtelijk plan en vergunningen. Het plangebied voor Wolferen-Sprok omvat in ieder geval de dijktrajecten in de scope (hoofdstuk 2). Tijdens de m.e.r.-procedure houden we in eerste instantie het maximale ruimtebeslag van de alternatieven aan als plangebied voor de dijkversterking. Daarnaast is er sprake van een zoekgebied voor de dijkteruglegging ter hoogte van Oosterhout. In de kaart is het plangebied gevisualiseerd.

Studiegebied

De effecten van de voorgenomen activiteit kunnen verder reiken dan de grenzen van het plangebied. In het MER wordt daarmee rekening gehouden. De omvang van het studiegebied, waarvoor de effecten worden beschreven, moet zodanig groot zijn dat alle relevante effecten binnen het onderzoekgebied vallen. Het studiegebied kan per onderwerp en effect dus verschillen, afhankelijk van het bereik van de effecten. Het MER bakent per thema het studiegebied af.

Klap tekst in

Wettelijke- en beleidskaders geven randvoorwaarden aan de voorgenomen activiteit. Het MER gaat in op de belangrijkste aspecten en randvoorwaarden van relevante wettelijke- en beleidskaders, zoals (niet limitatief):

  • Structuurvisie Infrastructuur en Milieu (2012);
  • Nationaal Waterplan 2016-2021 (2015) );
  • Voorkeurstrategie Waal-Merwede (2014) en hoogwaterbeschermingsprogramma);
  • Beleidsregels grote rivieren (2006) );
  • Waterwet (2009) met nieuwe normering primaire waterkeringen sinds 1 januari 2017);
  • Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro, 2011);
  • Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland (2015);
  • Structuurvisie Waalweelde(-West) (2015);
  • Bestemmingsplannen

Daarnaast is er sprake van diverse andere wettelijke randvoorwaarden, zoals het rivierkundig beoordelingskader Grote Rivieren, de Wet Natuurbescherming en de Erfgoedwet. Het MER gaat ook in op relevante provinciale en gemeentelijke wettelijke- en beleidskaders. Het MER fase 1 en fase 2 lichten de relevante en actuele kaders met de randvoorwaarden nader toe en houden hier rekening mee bij de milieubeoordeling.

Klap tekst in

Zinvolle effectbepaling

Het beoordelingskader in de tabel dient meerdere doelen. Het is ten eerste gericht op de informatie die nodig is voor de besluitvorming over het voorkeursalternatief in het kader van de verkenningsfase van het HWBP (MER fase 1). Ten tweede is het ook gericht op de uitwerking van het voorkeursalternatief (MER fase 2) op het detailniveau van het (ruimtelijke) plan en vergunningen. Daarnaast omvat het zowel aspecten van dijkversterking als dijkteruglegging. De effectbepaling wordt daarom afgestemd op de te maken keuze:

  • zinvolle effectbepaling: alleen de effecten die relevant zijn. Dit zijn effecten voor die aspecten die naar verwachting significant en/of duidelijk onderscheidend zijn tussen de alternatieven;
  • effecten zinvol bepalen: niet meer detail dan nodig. Het detailniveau moet een keuze tussen de alternatieven mogelijk maken of aangeven waar mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.

Aanlegfase en gebruiksfase

Het MER gaat in op de gevolgen van het ontwerp op de betreffende locaties, het gebruik van de waterkering, als ook de effecten van de ingrepen in de aanlegfase. Het MER geeft aan of de ingrepen uit de aanleg- en gebruiksfase leiden tot tijdelijke of permanente gevolgen.

De beoordeling van de effecten in de gebruiksfase gaat over het verschil tussen de referentiesituatie en de eindsituatie. Door het realiseren van de dijk, door het ruimtebeslag van de dijk of dijkteruglegging, kan natuurgebied verdwijnen, moeten wellicht archeologische resten opgegraven of een woning gesloopt. Het aangepaste gebruik van de waterkering leidt ook tot effecten, zoals door ander beheer van de dijk, of van ander verkeer op de dijk. Effecten tijdens de gebruiksfase zijn vaak langdurig of permanent van aard.

In de aanlegfase is er bijvoorbeeld extra drukte op de dijk van het werkverkeer en is de weg afgesloten. Dit kan effecten hebben op de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid van woningen en bedrijven in de aanlegfase. Na het in gebruik nemen van de dijk zijn deze effecten verdwenen: ze zijn tijdelijk. De aanlegfase kan ook leiden tot permanente effecten. Stikstofemissie van het materieel kan ervoor zorgen dat bepaalde natuursoorten permanent verdwijnen.

De aanlegfase wordt met name in het MER fase 2 uitgewerkt. In fase 1 wordt de aanlegfase meegenomen als verwacht wordt dat de uitvoering leidt tot significant negatieve effecten of een duidelijk onderscheid tussen alternatieven.

Klap tekst in

Detailniveau passend bij de projectfase

De mogelijke thema’s en aspecten in het MER zijn gelijk voor de verkennings- als de planuitwerkingsfase. Ook worden dezelfde beoordelingscriteria gehanteerd.

De effectbepaling wordt wel in elke fase afgestemd op de te maken keuze. Bij iedere stap wordt geïnventariseerd welke effecten relevant zijn voor de keuze: significante en/of duidelijk onderscheidende effecten. Het detailniveau van MER fase 1 moet een keuze tussen de alternatieven mogelijk maken. Hierbij wordt met name ingegaan op de onderscheidende en significante effecten. Voor het MER fase 1 van de verkenning wordt gebruik gemaakt van alle relevante bronnen en uitgevoerde onderzoeken.

Voor het MER fase 2 wordt gedetailleerder gekeken, met eventueel nieuw beschikbare informatie nu het specifieke ontwerp bekend is met het bijbehorende ruimtebeslag. Het belangrijkste verschil is dat in de planuitwerking een aantal criteria voor het uitgewerkte voorkeursalternatief kwantitatief en in meer detail wordt beoordeeld. In deze fase is bijvoorbeeld in meer detail aan te geven wat de uitvoering betekent voor het aantal en de locatie van gedwongen verhuizingen. En welke maatregelen eventueel mogelijk zijn om bebouwing te handhaven of te herbouwen. Duidelijk moet zijn waar en welke mitigerende maatregelen genomen worden om effecten te verzachten of waar compensatie wordt uitgevoerd.

Beoordeling

De effecten van de voorgenomen activiteit worden inzichtelijk gemaakt door deze te vergelijken met de referentiesituatie. Deze vergelijking vindt plaats op basis van een + / - score. Hiervoor wordt de volgende beoordelingsschaal gehanteerd. In de komende paragrafen is dit beoordelingskader concreet gemaakt.

Kwalitatieve scoreBetekenis
--groot negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie (risico voor haalbaarheid van het plan)
-negatieve effect ten opzichte van de referentiesituatie
0geen effect ten opzichte van de referentiesituatie
+positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++groot positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Klap tekst in

De alternatieven moeten voldoen aan het Beheer- en onderhoudsplan waterschap Rivierenland. Dit plan gaat onder andere in op de bereikbaarheid van de waterkering en het profiel van de dijk. Daarnaast wordt beoordeeld hoe de invloed is van de alternatieven op het vegetatiebeheer en de mogelijke kansen daarbij.

Klap tekst in

Buitenwaarts versterking en het terugleggen van de dijk heeft invloed op het rivierbeheer en de waterstanden. Alle oplossingsrichtingen met deze ingrepen worden daarom getoetst aan de overige relevante criteria van het Rivierkundig Beoordelingskader (RWS, 2017). Het kader stelt criteria op het gebied van de aspecten hoogwaterveiligheid, hydraulische effecten en morfologische effecten. Hieronder zijn de nog relevante criteria opgesomd:

  • hoogwaterveiligheid: invloed op de Hoogwaterstand bij norm, het bergend volume in de uiterwaarden en de afvoerverdeling van de rivieren bij de Pannerdensche Kop;
  • hydraulische effecten: invloed op inundatiefrequentie en stroomsnelheden in uiterwaarden, stroombeeld in vaarweg (dwarsstroming), afvoerverdeling Pannerdensche Kop;
  • morfologische effecten: invloed op sedimentatie en erosie van zomer- en winterbed van de rivier.

Het MER gaat in op de eventueel benodigde compensatie van opstuwende effecten. Ook wordt gekeken naar de benodigde inspanning voor het vegetatiebeheer buitendijks.

Klap tekst in

Beschermde gebieden

Het MER gaat in op de kansen en bedreigingen voor de beschermde gebieden. De habitattypen en soorten met instandshoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden, de wezenlijke kenmerken en waarden en ontwikkeldoelen van het Gelders NatuurNetwerk en de Groene Ontwikkelingszones spelen hierbij een rol. Hiervoor worden de criteria vernietiging, verstoring, verzuring/vermesting, vernatting/verdroging, versnippering en overstromingsdynamiek uitgewerkt. In de planuitwerkingsfase wordt voor het voorkeursalternatief een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming opgesteld als significante effecten op Natura 2000-gebied(en) niet op voorhand worden uitgesloten.

Beschermde soorten

Daarnaast beïnvloeden de alternatieven mogelijk beschermde soorten. In het MER worden de effecten van vernietiging en verstoring op de functionaliteit van het leefgebied en instandhouding van de soort inzichtelijk gemaakt.

Bos

In het MER wordt voor de in het kader van de Wet natuurbescherming relevante bosgebieden berekend hoeveel hectare vernietigd wordt en wordt aangegeven waar kansen zijn voor herplant.

Rode lijstsoorten

In het MER wordt ingegaan op de mogelijke vernietiging van leefgebied van rode lijstsoorten.

Klap tekst in

(Water)bodemkwaliteit

Aanwezigheid van eventuele bodemverontreiniging in de bodem, grondwater of waterbodem leidt tot negatieve (gezondheids)effecten voor mens en milieu. Bovendien brengt het beperkingen met zich mee voor toekomstig gebruik. Het verwijderen, ook wel saneren genoemd, van aanwezige sterke verontreinigingen draagt positief bij aan de bodemkwaliteit in een gebied. Het verslechteren van de huidige bodemkwaliteit is wettelijk niet toegestaan. Voor de beoordeling van de alternatieven wordt gebruik gemaakt van het vooronderzoek bodem en waterbodem (Witteveen+Bos, 2017c). Om onnodige kosten te voorkomen, wordt alleen voor het voorkeursalternatief, als het precieze ruimtebeslag bekend is, aanvullend onderzoek uitgevoerd.

Grondverzet

Afhankelijk van het alternatief kunnen diverse ingrepen plaatsvinden in de (water)bodem. Naast ontgravingswerkzaamheden wordt mogelijk ook grond toegepast (ophoging of verbreding). Verschillende alternatieven kunnen een verschillende hoeveelheid grondverzet met zich mee brengen. Per alternatief wordt de totale opgave van grondverzet, ontgraving en toepassing inzichtelijk gemaakt (kwantitatief, in m3). Voor het voorkeursalternatief worden deze getallen in grotere mate van zekerheid berekend.

Grondwater (peil, kwel, wegzijging)

Het aanleggen van diepe constructies of het verleggen van een dijk (met verlegging dijksloten) heeft effect op het grondwatersysteem. Voor de alternatieven wordt een hydrologische studie uitgevoerd. Ingegaan wordt op de grondwatereffecten (peil, kwel en wegzijging) bij normaal en hoogwater. De effecten worden zowel kwantitatief als kwalitatief in beeld gebracht.

Klap tekst in
Klap tekst in

Ruimtelijke kwaliteit betreft drie aspecten:

  • belevingswaarde: de beleving van een betreffend gebied door de gebruikers;
  • gebruikswaarde: functionaliteit van het project in combinatie met gebruik van de eigenschappen van het gebied (doelmatigheid en functionele samenhang) ;
  • toekomstwaarde: kan het project de ruimtelijke gevolgen van veranderende omstandigheden opvangen.

Voor het beoordelen van de effecten van de alternatieven op de belevingswaarde, wordt gebruik gemaakt van het uitgevoerde belevingswaardenonderzoek (Bureau Stroom, 2016). Hierbij wordt in de verkenning ingegaan op de belangrijke onderscheidende criteria op het gebied van de belevingswaarde van de dijk, de rivier en de binnen- en buitendijkse gebieden. Bijvoorbeeld de vorm van de dijk, het uitzicht, de nabijheid van de rivier, en afwisseling in natuur en landschap. De effecten van de alternatieven worden kwalitatief beoordeeld.

Klap tekst in

Door ruimtebeslag en hinder kan de woonfunctie langs de dijk veranderen, en zelfs leiden tot sloop van woningen. In het MER wordt bekeken of er sprake is van gedwongen verhuizing, ruimtebeslag op tuinen, op de veranderingen voor het gebruik van de bewoners (als gevolg van veranderde regels). Daarnaast wordt via vuistregels berekend wat de invloed is van de alternatieven op trillinghinder, schade aan huizen, geluidshinder en de luchtkwaliteit. Indien nodig wordt hiervoor (in de planuitwerking) aanvullend onderzoek uitgevoerd.

Ook voor economische functies, waaronder glastuinbouw en andere landbouw, en recreatie wordt de invloed onderzocht, zowel aantal (areaal, aantal verbindingen/elementen) als de kwaliteit van de functie. Voor de verkeerfunctie wordt ingegaan op verkeersintensiteit, bereikbaarheid woonkernen en panden, bereikbaarheid hulpdiensten, parkeervoorzieningen, oversteekbaarheid, conflicten en ongevallen. Bij overige functies wordt ingegaan op externe veiligheid, kabels en leidingen, niet gesprongen explosieven voor zover deze onderscheidend zijn.

Klap tekst in

De toekomstwaarde van een gebied wordt bepaald door de mate waarin het gebied duurzaam, aanpasbaar en beheerbaar is. Een gebied dat makkelijk aan te passen valt aan toekomstige ontwikkelingen, heeft een hogere ruimtelijke kwaliteit. Van belang zijn ook de meekoppelkansen in de omgeving, aangegeven wordt in hoeverre een alternatief ruimte biedt voor meekoppelkansen. Het MER gaat ook in op duurzaam materiaal- en energiegebruik.

Klap tekst in

Het MER maakt, naast de milieueffecten, ook de investeringskosten en de levensduurkosten (met daarin aanvullend de kosten voor beheer en onderhoud) inzichtelijk. In de verkenning worden voor de dijkteruglegging in een businesscase de mogelijkheden onderzocht voor gebiedsontwikkeling en eventuele medefinanciering door derden.

De nauwkeurigheid voor de verkenning is 25 %. De raming wordt vereenvoudigd weergegeven in het MER, gericht op het onderscheid tussen de alternatieven. Voor de planuitwerking wordt de raming in groter detail uitgewerkt en getoetst of aan het aan het eind van de verkenningsfase bekende maatgevend budget kan worden voldaan.

Klap tekst in