ALTERNATIEVENONTWIKKELING

Het doel van de verkenningsfase is om tot een voorkeursalternatief te komen, dat in de planuitwerking wordt uitgewerkt. In het MER worden de alternatieven beoordeeld om het voorkeursbesluit te ondersteunen met milieu-informatie. Dit hoofdstuk gaat achtereenvolgens in op het ontwerpproces en de alternatiefontwikkeling, de ontwerpuitgangspunten en de principeoplossingen voor een dijkversterking. Vervolgens komen de te onderzoeken alternatieven voor de dijkversterking en dijkteruglegging aan bod. De laatste paragraaf gaat tot slot in op het ontwerpproces in de planuitwerking.

Klap tekst in

Het hoofddoel van het project is om te voldoen aan de wettelijke veiligheidsnorm. Dit kan op verschillende manieren worden bereikt. Om een beeld te geven van mogelijke oplossingen, is hieronder een overzicht van principeoplossingen voor een dijkversterking gegeven.

  • een grondoplossing: De dijkversterkingen wordt dan uitgevoerd met grond (zand en/of klei). Om bijvoorbeeld de binnenwaartse stabiliteit van de dijk te vergroten, worden vaak steunbermen aangebracht en/of wordt het talud verflauwd. Het extra gewicht van de berm en/of de taludverflauwing zorgt voor voldoende tegendruk tegen het basistalud van dijk en op de bodem ernaast. Ook kan gezocht worden naar maatregelen in het voorland van de dijk, bijvoorbeeld klei in de bodem ingegraven om piping tegen te gaan. Vanwege de makkelijke uitbreidbaarheid, onderhoud en vaak lagere kosten, is een grondoplossing vaak de eerste keus bij dijkversterking;
  • een constructieve oplossing: Een constructieve oplossing wordt vaak toegepast op plaatsen waar weinig ruimte is voor omvangrijke grondlichamen, of op plaatsen waar men de waterkering een bepaald karakter heeft zoals een kade of boulevard. Voorbeelden van constructieve oplossingen zijn een keermuur, een damwand, een diepwand of een kistdam. Nadelen van dergelijke oplossing zijn lastig onderhoud en moeilijke uitbreidbaarheid. Daarnaast brengt een constructieve oplossing tijdens de uitvoering vaak grotere risico’s en overlast met zich mee;
  • een innovatieve oplossing. Innovatieve technieken kennen een bepaald voordeel boven de traditionele technieken, zoals minder ruimtebeslag, minder hinder voor omwonenden, en/of minder verkeer. En daardoor mogelijk ook minder kosten. Ook kunnen ze meer kansen bieden voor medegebruik. Voorbeelden zijn;
    • Verticaal Zanddicht Geotextiel (VZG) is een innovatieve preventieve maatregel tegen ‘piping’. Het geotextiel laat wel door, maar geen zand. De Grofzand Barrière (GZB) is een doorontwikkeling van het VZG, waarbij grove zandkorrels in de dijk worden aangebracht die te zwaar zijn om door water vervoerd te worden en waardoor tunnelvorming gestopt worden;
    • de bebouwbare dijk, die veel sterker is dan nodig voor de huidige veiligheidsnorm, waardoor er woningbouw mogelijk is op de binnendijkse steunberm van de dijk;
    • bij dijkvernageling worden voor de verbetering van de stabiliteit lange nagels (spijkers) met een kern van staal of kunststof in de dijk geplaatst. Dit voorkomt afschuiving van het dijklichaam.

Klap tekst in

Waaldijkprofiel

In de start van de verkenning is, in samenwerking met de omgeving, een ruimtelijk kwaliteitskader opgesteld. Hierin is een gewenst dijkprofiel opgenomen. Dit zogeheten Waaldijkprofiel is toegelicht in de afbeelding wenselijk Waaldijkprofiel. De ontwerpen voldoen zoveel mogelijk aan dit profiel, met een talud van 1:3 (een dijk van 1 m hoogte geeft 6 m dijkbreedte).

Levensduur

De dijk moet gedurende langere tijd voldoen aan de eisen. Het jaar 2075 is als zichtjaar aangehouden voor oplossingen in grond (50 jaar vanaf oplevering in 2025). Dit betekent dat wat er nu wordt neergelegd in ieder geval tot 2075 moet voldoen aan de huidige ontwerpeisen.

Voor constructies is het zichtjaar 2125 gehanteerd (100 jaar vanaf oplevering). Voor constructies is deze langere termijn nodig vanwege de relatief zware inspanning om een constructie in de toekomst te kunnen uitbreiden.

Klap tekst in

In het ontwerpproces is breed gezocht naar oplossingen. Ontwerpen kwamen tot stand via een wisselwerking tussen ingenieursbureau en waterschap en externe participatiemomenten, zoals ontwerpateliers met belanghebbenden uit de omgeving. De belanghebbenden konden hun reactie geven en zo bijdragen aan de alternatiefontwikkeling.

Sommige bouwstenen en oplossingsrichtingen bleken niet voldoende doelmatig, of hadden andere beperkingen. In het ontwerpproces zijn bij het afwegen van bouwstenen en oplossingsrichtingen de onderstaande uitgangspunten voor de alternatieven onderbouwd.

Geen grote buitenwaartse verplaatsing

Bij dijkversterking heeft het waterschap Rivierenland voorkeur voor een binnendijkse dijkversterking in grond, omdat een buitenwaartse versterking een beperking voor de rivier met zich meebrengt. Grote buitendijkse versterkingen (zoals verlegging van de dijk) in opstuwingsgevoelige gebieden van de rivier, staan haaks op uitgevoerde rivierverruimende maatregelen langs de Waal. Daarnaast bevinden zich op het buitentalud van een dijk vaak harde bekledingen die bij een buitenwaartse versterking (deels) verwijderd moeten worden. Echter hoeft een beperkte buitendijkse versterking (zoals een berm), zeker in stroomluw gebied, geen groot effect te hebben op rivierafvoer en waterstanden.

Behoud kruin

Uit de veiligheidsanalyse (Waterschap Rivierenland, 2017) blijkt dat er zowel aan de binnen- als de buitenzijde een grote opgave is voor de stabiliteit. Steunbermen aan weerzijden van het huidige dijklichaam kunnen de stabiliteit van de dijk verhogen. Uitgangspunt hierbij is het behoud van de huidige kruin: bij de aanleg van een binnen- of buitendijkse stabiliteitsberm schuift de binnen- of buitenteen op. Bij behoud van de teenlijn moet de hele kruin worden verlegd (afgegraven en opnieuw aangelegd), wat hoge kosten met zich mee brengt.

De huidige kruinlijn kan wel enigszins verschuiven als gevolg van de benodigde ophoging. Bijvoorbeeld 1 m ophogen brengt een verbreding van het dijklichaam van ongeveer 6 m met zich mee. In het MER wordt deze verbreding binnen- en buitendijks onderzocht.

Pipingbermen en voorlandverbetering op voorhand niet kansrijk

Het kwelweglengtetekort (wat piping kan veroorzaken) is zeer groot. Als dit opgelost wordt in grond, dan zijn hier bermen en/of voorlandverbeteringen van 100-300 m nodig. Op basis van dit ruimtebeslag op de huidige gebruiksfuncties en de bijbehorende kosten, vindt het waterschap deze bermen niet realistisch. Daarom is er in alle oplossingsrichtingen een constructie voorzien die piping onder de dijk tegengaat. De bouwsteen ‘voorlandverbetering’ wordt niet als kansrijk gezien, gezien de grote kwelweglengtetekorten en aan te tasten natuurwaarden buitenwaarts. Bij de uitwerking van het ontwerp wordt waar mogelijk de optimalisatie op het voorland gezocht (bijvoorbeeld in geval van buitendijkse ontwikkelingen).

Innovatieve oplossingen

Innovatieve oplossingen vormen over het algemeen een verbetering van traditionele oplossingen (grond, constructies). Denk aan een snellere aanleg, minder ruimtebeslag of minder kosten. Qua ruimtebeslag en hinder vallen ze binnen de bandbreedte van effecten van de traditionele oplossingen. In het MER krijgen de innovatieve oplossingen daarom een rol bij de optimalisatie van de alternatieven.

Klap tekst in

Dijkprofiel

Voor de uiteindelijke dijk wordt uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als bij de dijkversterking. De dijk sluit qua vorm aan op de dijk in de aansluitende dijksecties.

Zoekgebied

Het zoekgebied voor de dijkteruglegging is kleiner dan in het Barro of eerdere onderzoeken (provincie Gelderland, 2016). Het zoekgebied ligt achter de grens van de huizen van de Dijkstraat om omgevingseffecten te verminderen. Bovendien is rekening gehouden met de ligging van enkele kabels en leidingen ten westen van het zoekgebied. Het zoekgebied is groot genoeg om aan de ambitie voor waterstandsdaling in de orde grootte van centimeters te voldoen. Het zoekgebied ligt binnen één dijksectie, dijksectie 12.

Dijktracés

In het MER worden twee onderscheidende dijktracés onderzocht. De ligging is afgestemd op de bestaande functies in het gebied en de vormgeving houdt rekening met de gewenste vorm voor waterstandsdaling. Bij het opstellen van het voorkeursalternatief zijn optimalisaties van het tracé mogelijk binnen het zoekgebied.

Klap tekst in

N.B. De namen van de alternatieven zijn gebaseerd op het grootste onderscheid: hoe de stabiliteit wordt opgelost, in grond of met een constructie.

Aan beide kanten van de dijk wordt bovendien versteviging aangebracht om ervoor te zorgen dat de stabiliteit van de taluds niet in gevaar komt. Dit wordt gedaan met nieuwe (stabiliteits)bermen. De berm aanvullen tot een volledig functionele pipingberm neemt te veel ruimte in (200-300 m). Daarom is ervoor gekozen om een pipingconstructie te plaatsen in de nieuwe binnenteen van de dijk (de onderkant van het talud van de stabiliteitsberm).

Alternatief dijkversterking 2: buitendijks versterken in grond en constructie binnendijks

Vanaf de kruin wordt de dijk opgehoogd en verbreed richting de rivier. De stabiliteit van het buitentalud wordt sterker door het toevoegen van grond aan de buitendijkse zijde. Een constructie aan de binnendijkse zijde zorgt ervoor dat geen tunnel onder de dijk kan ontstaan, en waarborgt de stabiliteit van het binnentalud.

Alternatief dijkversterking 3: ophogen in grond en versterken met constructies

Vanaf de kruin wordt de dijk opgehoogd en beperkt verbreed aan beide zijden. De dijkstabiliteit aan beide zijden wordt gewaarborgd door constructies. De constructies gaan eveneens piping tegen.

Afgevallen oplossingsrichtingen dijkversterking

Naast de drie geselecteerde oplossingsrichtingen is ook een oplossingsrichting met constructie aan de buitenzijde van de dijk onderzocht en een binnendijkse berm en pipingconstructie. Deze is op de volgende gronden afgevallen als oplossing voor lange dijkstrekkingen:

  • het inzetten van een buitendijkse constructie en een binnendijkse berm en pipingconstructie is duurder dan een oplossing in grond zoals alternatief 1;
  • het inzetten van een binnendijkse constructie zoals bij alternatief 2 is efficiënter. Dit komt omdat buitendijks maar circa 10-16 m ruimtebeslag van een berm wordt uitgespaart met een constructie en binnendijks alsnog een berm en pipingconstructie nodig is. Binnendijks wordt met een constructie circa 30-50 m ruimtebeslag vermeden en krijgt de constructie tegelijkertijd een functie voor het voorkomen van piping;
  • het inzetten van de buitendijkse constructie is vrijwel net zo duur als de oplossing met stabiliteitsconstructies binnen- en buitendijks zoals in alternatief 3. Door alternatief 3 mee te nemen onderzoeken we de effecten van een alternatief met weinig ruimtebeslag buitendijks.

De overgebleven oplossingsrichtingen voor de dijkversterking voldoen aan de veiligheidsnorm, de mogelijkheid tot realisatie van de dijk uiterlijk in 2020, en zijn doelmatig en sober. Bij de dijkversterking vallen daarom verder geen oplossingsrichtingen af. Wel zijn drie eerdere oplossingsrichtingen in grond vanwege de beperkte verschillen in ruimtebeslag samengevoegd tot één alternatief.

Klap tekst in

Ook gaat het MER in op welke kansen de alternatieven bieden voor binnendijkse ontwikkelingen of in welke mate binnendijkse ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de buitendijkse ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn beschreven in de kolom mogelijkheden van de overzichtstabel. De beoordeling voor deze binnendijkse ontwikkelingen is van een andere aard (biedt het kansen?) en van een lager detailniveau dan van de kenmerken en onmogelijkheden. Deze ontwikkelingen zijn in principe geen onderdeel van het plan.

Hieronder volgt een korte beschrijving van de alternatieven, met daarnaast een schets.

Afgevallen oplossingsrichtingen

In het ontwerpproces is ter referentie ook een oplossingsrichting onderzocht waarbij dijkversterking wordt gecombineerd met de aanleg van een langsdam en oevergeul. Deze maatregelen geven samen een waterstandsdaling van circa 1 cm. Deze oplossing bevat geen dijkverlegging, geeft daarom beperkte ontwikkelingsmogelijkheden buitendijks en heeft een te beperkte waterstandsdaling tot gevolg. Daarom is de oplossingsrichting niet kansrijk als oplossingsrichting voor dijkteruglegging. De langsdam en oevergeul worden in het alternatief met natuurontwikkeling nog wel onderzocht.

Het blijft ook mogelijk een langsdam en oevergeul op te nemen om negatieve effecten van buitenwaartse dijkversterking te verzachten (mitigerende maatregel). Hiermee kunnen negatieve effecten van rivierwaartse versterking op de waterstand verzacht worden. Uiteindelijk kunnen de langsdam en oevergeul in combinatie met dijkversterking dus toch onderdeel worden van het VKA.

De overgebleven oplossingsrichtingen voor de mogelijke dijkteruglegging voldoen aan de veiligheidsnorm en zijn doelmatig. Wel zijn vergunbaarheid en planning onzekerder dan bij een ‘reguliere’ dijkversterking, vanwege de grotere omgevingsimpact van een dijkteruglegging. Bij de trechtering van de dijkteruglegging vallen geen tracés of buitendijkse ontwikkelingen af. Wel zijn in de alternatieven enkele mogelijke ontwikkelingen samengevoegd.

Klap tekst in

Het besluit voor het voorkeursalternatief aan het eind van de verkenning betreft de keuze voor een dijkversterking of een dijkversterking met in dijksectie 12 een dijkteruglegging. Voor de dijkversterking is duidelijk per (deel)dijksectie welke oplossing met welke mitigerende maatregelen meegaat. Ook voor de mogelijke dijkteruglegging is dan duidelijk welk tracé wordt vastgelegd en met welke ontwikkelingen en mitigerende maatregelen rekening is gehouden. Het voorkeursalternatief legt vast welke meekoppelkansen en maatwerklocaties in de planuitwerking, met welke randvoorwaarden, nader worden ontworpen.

Op basis van het definitieve ruimtebeslag en de uitvoeringsmethoden maakt het MER fase 2 de effecten van het voorkeursalternatief inzichtelijk. Op basis hiervan vraagt het waterschap in de planuitwerking de besluiten en vergunningen aan. In de planuitwerkingsfase wordt voor het voorkeursalternatief een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming opgesteld als significante effecten op Natura 2000-gebied(en) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Klap tekst in